De bisschop en jongeren kwamen samen voor de Mis, catechese en geloofsgesprek
Foto’s: Bisdom Rotterdam
Op zondag 26 april kwamen de bisschop en jongeren samen in Den Haag voor de Tour of Faith. De bijeenkomst vond plaats in de H. Antonius van Paduakerk, bij de blauwe zusters. Pastoor Van Klaveren van de parochie Maria Sterre der Zee concelebreerde, en diaken Osseweijer assisteerde.
Deze zondag is het Roepingenzondag. “Dit is een bijzondere dag om te bidden voor roepingen tot het priesterschap, het diaconaat en het religieuze leven”, vertelt de bisschop in zijn homilie. “Paus Paulus VI voerde deze bijzondere gebedsdag in 1963 in. Hij voelde in de jaren zestig al aan dat roeping niet iets vanzelfsprekends is. Als God roept, is dat een geschenk. Het is een gave, maar ook het resultaat van ons luisteren.”
“Een roeping is nooit vanzelfsprekend. Daarom is gebed daarvoor nodig. Wanneer je tot God bidt en Hem iets vraagt, laat je twee dingen zien. Op de eerste plaats dat je zijn roepstem wilt horen. Op de tweede plaats dat het een geschenk is wanneer je die stem ook mag verstaan.”
Op Roepingenzondag wordt elk jaar gelezen uit Johannes 10. In deze lezing spreekt Jezus over zichzelf als de Goede Herder. In zijn boodschap voor Roepingenzondag legt paus Leo bijzondere nadruk op het woord “goed”.
Bisschop Van den Hende licht toe: “De Goede Herder is meer dan iemand die goede dingen doet of goede dingen zegt. Hij is goed met heel zijn wezen. In het Grieks betekent ‘kalos’ niet alleen ‘goed’, maar ook ‘mooi’. De Goede Herder is werkelijk een afstraling van de Vader: goed en mooi, omdat Hij zich met heel zijn hart inzet voor de verkondiging van het Koninkrijk van God.”
Een goede herder is iemand die dag en nacht naar zijn schapen omziet. “Zo’n herder is een geweldig voorbeeld voor ons en een aansporing, zeker ook voor mensen die priester of diaken worden”, zegt de bisschop. “Zijn zij werkelijk goede herders naar het voorbeeld van Christus? Het is geen beroep met vaste uren, maar een roeping van het hele hart.”
“Vandaag bidden we dat velen de roepstem van de Heer mogen verstaan: mensen die priester of diaken worden, mensen die kiezen voor een leven als religieus, en ook ieder gedoopte die geroepen is om Gods naam hoog te houden. Als meer mensen deze roeping serieus zouden nemen, zou onze wereld sterker afgestemd zijn op het evangelie, op de golflengte van de liefde van Christus.”
Na de eucharistieviering wordt de ontmoeting vervolgd in de ruimte naast de kerk. De bisschop geeft daar een catechese over kerkmuziek. Aan het begin van het Tour of Faith-seizoen werden onderwerpen geïnventariseerd waarover de groep graag in gesprek wilde gaan. Kerkmuziek was een van die onderwerpen.
“Vanaf het begin van het christendom is er muziek geweest waarbij gebruik werd gemaakt van woorden uit de Heilige Schrift”, legt de bisschop uit. “Dat gebeurde daarvoor ook in de Joodse eredienst in de synanoge.”
Hij vertelt dat in de beginperiode van de christelijke kerkmuziek instrumenten niet waren toegestaan vanwege de associatie met heidense theaters en spelen. Alleen een snaarinstrument werd gebruikt, mede vanwege de psalmen die gezongen werden bij het getokkel van snaren, en omdat koning David werd gezien als harpspeler.
De bisschop benadrukt hoe in de Kerk door de eeuwen heen muziek werd gemaakt op vooral bijbelse teksten, met name de psalmen, maar ook met kantieken en hymnen van verschillende christelijke schrijvers. Hij spreekt over de eerste meerstemmige kerkmuziek in de negende eeuw en de verdere ontwikkeling daarvan, waarbij de muziek steeds uitgebreider werd.
Paus Pius X (1903–1914) reageerde hierop door te pleiten voor een terugkeer naar de oorspronkelijke bedoeling van de kerkmuziek (motu proprio ‘Tra le sollicitudini’). Liturgie is eredienst aan God, met woorden van de Schrift, en de muziek dient die eredienst te ondersteunen en niet te overheersen.
Paus Pius X sprak ook over de actieve deelname van de gelovigen aan de liturgie (‘partezipazione attiva’), onder andere in de zang. Deze gedachte zou later terugkeren in de documenten van het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965), zoals Sacrosanctum Concilium (nrs. 14 en 30: ‘participatio actuosa’).
Kerkmuziek staat ten dienste van de eredienst aan God, en is ondergeschikt aan en dienstbaar aan het Woord van God, de Schrift. Gezangen ondersteunen bovendien de handelingen en gebaren in de liturgie.
De bisschop illustreert dit onder meer met het “Sanctus” en het “Benedictus”. Het Sanctus wordt gezongen na de prefatie en voorafgaand aan de consecratie. De woorden zijn ontleend aan het visioen van Jesaja 6, 3, waarin de engelen elkaar toeroepen: “Heilig, heilig, heilig is de Heer van de hemelse machten. Heel de aarde is vervuld van zijn majesteit.”
Het Benedictus, dat daarna wordt gezongen, verwijst naar de intocht van Jezus in Jeruzalem (Matteüs 21, 9): “De mensen die Hem omstuwden, jubelden: Hosanna Zoon van David, Gezegend de Komende in de naam des Heren.” Het Benedictus klinkt voordat de Heer door de consecratie aanwezig komt in de eucharistie wanneer brood en wijn veranderen in zijn Lichaam en Bloed.
Voordat de jongeren onderling in groepen uiteengaan met een aantal gespreksvragen, zijn er nog vragen aan de bisschop. In zijn antwoorden geeft hij aan dat in de liturgie verschillende instrumenten en muziekstijlen mogelijk zijn, zolang duidelijk blijft dat de muziek de eredienst ondersteunt en gebruikmaakt van Schriftteksten.
De liturgie heeft betrekking op God. Tot slot wijst de bisschop daarom op het onderscheid tussen gezangen die óver God gaan en gezangen die tót God zijn gericht.
Gespreksvragen voor het onderling gesprek waren onder meer: